CGD organiseert discussie “Ending Global Poverty: Four Women’s Noble Conspiracy”

Niet zo lang geleden schreef ons bestuurslid Jaap Rooimans een mooi stuk over “Ending Global Poverty: Four Women’s Noble Conspiracy”.

Op 29 September brengt het Center for Global Development onder andere de auteur van het boek en drie van de vier voormalige ministers die samenwerkten in de Utstein Groep samen om de blijvende impact en de lessen van hun werk voor de huidige ontwikkelingssamenwerking gemeenschap te bespreken.

Hier kunt u zich voor de event aanmelden.

Troonrede & Internationale Samenwerking

Tijdens de troonrede van 15 September 2020, zei Koning Willem-Alexander onder andere het volgende:

“In het jaar van 75 jaar Verenigde Naties domineert helaas steeds vaker het nationale eigenbelang en is de multilaterale wereldorde verder onder druk komen staan. Voor de Nederlandse regering staat buiten kijf dat goed functionerende internationale instellingen en internationale samenwerking noodzakelijk zijn om problemen aan te pakken die geen land of regio alleen de baas kan. Dat geldt voor vraagstukken van vrede en veiligheid, voor de klimaatcrisis en de toekomst van onze energievoorziening, voor armoedebestrijding en nu ook voor de bestrijding van het coronavirus.”

Ook wij vinden dat internationale samenwerking meer dan ooit van het grootste belang is, zeker voor een relatief klein land als Nederland. Wij vinden het daarbij cruciaal om ons te laten inspireren door het verleden. Vind jij dat ook? Neem dan een kijkje op de website van NICC en draag bij! Zowel inhoudelijke als financiële bijdragen zijn altijd welkom!

Nieuwe aanwinst NICC collectie

Ending Global Poverty, four women’s noble conspiracy

Auteur: Constantine Michalopoulos. Oxford University Press. Publicatie: april 2020.

Ending Global Poverty – beëindig armoede overal in de wereld – is de titel van dit boek over de “nobele samenzwering” van vier ministers voor Ontwikkelingssamenwerking aan het begin van deze eeuw. Dat waren de ministers Herfkens (Nederland), Johnson (Noorwegen), Short (Verenigd Koninkrijk) en Wieczorek-Zeul (Duitsland), gezamenlijk aangeduid als de Utstein-groep, vernoemd naar de Utstein abdij in Noorwegen, waar de vier vrouwen besloten voortaan zo veel mogelijk samen op te trekken. Dat ze steun zochten bij elkaar was bijzonder, maar tegelijk ook verklaarbaar: alle vier waren vastbesloten echt iets te gaan doen aan wereldwijde armoedebestrijding en daarvoor zo nodig de confrontatie aan te gaan met de belangen van de gevestigde orde, zowel in internationaal verband (VN en ontwikkelingsbanken) als in hun eigen landen. Twintig jaar later staat het beëindigen van armoede nog steeds boven aan de agenda, maar flinke stappen zijn zeker gezet, die mede zijn toe te schrijven aan het nieuwe elan destijds van de vier Utstein ladies.

In de jaren negentig van de vorige eeuw was er meer aandacht gekomen voor de noodzaak van country ownership bij de uitvoering van programma’s voor ontwikkelingssamenwerking. De Utstein groep maakte dit tot één van de kernthema’s van hun actie agenda. Dit had vérstrekkende implicaties, ook voor de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking. Zo werd projecthulp vervangen door programmahulp waar het maar enigszins verantwoord was. Implicaties daarvan waren er ook voor overheden in ontwikkelingslanden: veel aandacht voor het op orde krijgen van de publieke financiën, verantwoording afleggen naar het eigen parlement en aandacht voor corruptiebestrijding.

Maar de Utstein groep had ook oog voor noodzaak van hervormingen aan de kant van de “donorlanden”, zoals dat toen werd genoemd. Het versterken van coördinatie tussen donoren (met name op nationaal niveau in ontwikkelingslanden), ontbinding van de hulp, het verhogen van hulpvolumes (de 0,7% BBP target), gendergelijkheid, aansluiting van noodhulp op lange termijn ontwikkelingssamenwerking en schuldverlichting waren belangrijke thema’s. Op al deze gebieden zijn zeker stappen voorwaarts gezet (denk aan de Rome-Parijs-Accra verklaringen over effectiviteit van de hulp), waarbij de inzet van de Utstein groep vaak een verschil heeft gemaakt. Dit geldt zeker ook voor het bereiken van de politieke overeenstemming in VN-verband over de MDGs, later gevolgd door de SDGs. Op een ander kernthema van de Utstein-agenda – beleidscoherentie – zijn de stappen voorwaarts helaas veel minder aansprekend. Het gaat dan om afstemming van het brede buitenlandbeleid van de rijke landen (handel, veiligheid, landbouwbeleid, mensenrechten) met het beleid om ontwikkelingslanden te steunen bij hun sociaal-economische ontwikkeling.

Alles bij elkaar een lezenswaardig boek over deze bijzondere actiegroep, waarbij en passant inzicht wordt gegeven in de internationale ontwikkelingen in de periode van 1990 tot nu. Michalopoulos zwaait hier en daar misschien wel erg veel eer toe aan de Utstein-groep, maar dat zij hem vergeven. Tenslotte is hij de long-time partner in life and work van Eveline Herfkens. In zijn commentaar om het boek aan te bevelen wijst Bert Koenders erop dat de Utstein nalatenschap hoogst relevant is in deze tijden van groeiende ongelijkheid en verzwakt multilateralisme. Het boek is opgedragen aan drie vrouwen van een nieuwe generatie jonge leiders: winnaars van de Nobelprijs van de Vrede (2014) Malala Yousafzai en (2018) Nadia Murad en aan klimaatactiviste Greta Thunberg.

Geschreven door Jaap Rooimans, NICC-bestuurslid.

N.B. 1. Paul Hoebink heeft voor Vice Versa een recensie geschreven over dit boek De erfenis van vier bevlogen vrouwelijke ministers.

N.B. 2. Ron Keller (zie ook het interview met Ron Keller over de EBRD) schreef een commentaar: De Utstein coalitie voegde de daad bij het woord

Webinar “Valuing Water History” was groot succes

Enthousiaste jonge professionals en studenten hebben tijdens NICC’s eerste webinar “Valuing Water History” afgelopen dinsdag 30 juni 2020, contact gehad met ervaringsdeskundigen. Bijna 20 deelnemers wisselden tijdens de webinar ideeën en visies uit over twee verschillende water tijdlijnen over Jemen en over handpompen.

Het webinar bood ook de kans aan jonge professionals om via stichting-NICC potentiële “kennis maatjes” te maken. Namelijk ervaringsdeskundigen die lang genoeg in het vak zitten om opkomende trends, veranderende benaderingen en zogenaamde omslagpunten waar te nemen.

Zo lieten zij via de handpompen tijdlijn zien hoe de benadering van handpompen in de loop van de tijd veranderde van een community-based managementbenadering naar een gezinsmanagement of zelfvoorziening benadering.

Door indringende vragen te stellen, daagden de jonge professionals op hun beurt de senioren uit om kritisch na te denken over hun ervaringen uit het verleden.

Opname van Webinar:

Webinar: Valuing Water History (June 30, 2020) from TheWaterChannel on Vimeo.

‘Voedselhulp via Labour Intensive Public Works ingezet voor structurele ontwikkeling’

Stichting NICC heeft recent een Engelstalig artikel in haar e-collectie opgenomen over het Kobo-Lalibela Road Project (1974-1979) in het voormalige district Lasta, een destijds door ernstige droogte getroffen deel van de provincie Wollo in Ethiopie. Het artikel is geschreven door Dr. Johannis Leeuwenburg, Bart Wesseling, Worku Behonegne en Dr. Mekonnen Lulie, die ruim vier decennia geleden tijdens en direct na een hongersnood betrokken waren bij dit Labour Intensive Public Works (LIPW) project. Zij hebben in 2018 samen het Kobo-Lalibela projectgebied bezocht en raakten er onder de indruk van de kwaliteit van de medio ’70-er jaren via noodhulp en werkverschaffing aangelegde weg, van het gerealiseerde onderhoud aan de weg en de drainage systemen en de sociaaleconomische effecten die ontsluiting van het gebied heeft gehad. In tijden van hongersnood kon voedsel aangevoerd worden, landbouw inputs werden bereikbaar, landbouwproducten konden ook op verder weg gelegen markten worden afgezet, ernstig zieken konden naar regionale hospitalen worden gebracht en een deel van de jeugd kon in stadjes als Dessie of Woldia middelbaar en later ook hoger onderwijs volgen. Daarnaast heeft het wegenbouwproject geleid tot een aantal integrale ontwikkelingsprogramma’s in verschillende delen van het voormalige Lasta district, waarbij LIPW ook werd ingezet voor erosiebestrijding en water conservering o.a. door te terrasseren.

Nu nationale overheden van arme landen en internationale ontwikkelingsorganisaties in het kader van de economische effecten van de corona crisis belangstelling tonen voor werkverschaffing via LIPW, kan dit artikel mogelijk inspiratie bieden.

Dr. Leeuwenburg was destijds als arts werkzaam in vluchtelingenkampen in Lasta via de maatschappelijke organisatie Terre des Hommes. Hij heeft er toen voor gezorgd dat de voedselhulp in de kampen langs de grote weg geleidelijk werd omgevormd tot een werkverschaffingsprogramma op basis van Labour Intensive Public Works. Rurale huishoudens konden zo terugkeren naar hun boerderijtjes om te ploegen, wieden en oogsten, terwijl ze in periodes waarin geen arbeid nodig was op hun boeren bedrijfje deel konden nemen aan wegenbouw activiteiten als het hakken van stenen uit bergwanden om een tracé van een muildierpad te verbreden tot een zes meter brede weg voor vierwiel aangedreven auto’s en trucks, waarbij de stenen onder meer werden gebruikt voor het maken van Irish bridges. Ook het graven van afwateringsgreppels langs de weg werd in eerste instantie volledig met menskracht gedaan. Op die manier konden huishoudens weer enige voedselreserves opbouwen.

De LIPW-aanpak werd praktisch uitgewerkt door de Nederlandse wegenbouwer Bart Wesseling en een andere Nederlandse ingenieur, die in het project werden ingezet via SNV (toen nog Stichting Nederlandse Vrijwilligers, thans Netherlands Development Organisation). Dr Johannis verzorgde het algemeen management van het project samen met een andere Nederlandse arts. Bart en zijn collega SNV-er werden ondersteund door Worku Behonegne en Mekonnen Lulie die o.a. fungeerden als tolken en assistenten. Voor Worku was dit het begin van een lange carrière binnen SNV, waarbij hij opklom tot regionaal SNV-directeur voor Oost en Zuidelijk Afrika. Thans is hij directeur van SNV-Ethiopie en de werknemer die het langst van allemaal in dienst is van SNV. Ook Mekonnen heeft in de jaren negentig weer een tijd voor SNV gewerkt.

In de jaren ‘80 werd de LIPW-benadering ook toegepast in het door SNV gesteunde Golina Hormat ontwikkelingsproject in Wollo, dat niet alleen infrastructuur hielp creëren, maar ook bijdroeg aan conservering van land en water, o.a. via terrassering en herbebossing. Dit project vormde de basis voor een breder SNV-programma in Ethiopie.

Later is de LIPW-aanpak door de Ethiopische overheid met hulp van diverse donoren opgeschaald naar nationaal niveau via het Productive Safety Net Programme (PSNP), waarmee ongeveer 7 miljoen mensen in rurale gebieden worden bereikt, terwijl het tijdens (dreigende) hongersnoden verder opgerekt werd. Aan dit programma werd een bijstandscomponent voor ouderen en gehandicapten gekoppeld en een livelyhood componentdie huishoudens ondersteunt bij productieve invetseringen.

Dit sociale veiligheidsnetsysteem met een LIPW component is vervolgens ook – vaak in aangepaste vorm – in andere Afrikaanse landen uitgewerkt.

Mogelijk kan noodhulp voor door de pandemie getroffen arme huishoudens ook gecombineerd worden met structurele duurzame ontwikkeling.

Dit artikel kan daarbij mogelijk handvatten bieden en Stichting NICC wil mensen die ook in het kader van LIPW werk(t)en uitdagen om hun ervaringen te delen.

Dat kan o.a. via opgave voor de NICC pool van resource persons via de website www.stichtingnicc.nl, maar ook door een verhaal over opgedane kennis en ervaring op te sturen naar info@stichtingnicc.nl.

Ontwikkeling ‘Fair Trade’ tijdlijn door stichting NICC

Samen met direct betrokkenen wil Stichting NICC nieuwe tijdlijnen ontwikkelen rondom ‘Fair Trade’, een onderwerp waarop Nederland al ruim dertig jaar een voortrekkersrol vervult.

In eerste instantie zal een tijdlijn worden opgezet rond ‘Fair Trade’ in enge zin met de wereldwinkels, de oprichting van Max Havelaar waarbij naast koffie geleidelijk meer producten werden gecertificeerd in verduurzaamde handelsketens met oog voor sociaal-economische omstandigheden en milieu impact in de productiegebieden en in de rest van de ketens.

In verband met de nieuw te ontwikkelen tijdlijnen heeft Stichting NICC ook toestemming gekregen van betrokken organisaties om de necrologie voor de op 23 maart jl. overleden Bert Beekman, op te nemen in haar digitale collectie. Bert was vanaf de oprichting van Max Havelaar (in 1988) de eerste directeur van de organisatie. Het In Memoriam werd geschreven door Nico Roozen, die Max Havelaar initieerde vanuit de organisatie Solidaridad en lang bestuurslid was van de Stichting Max Havelaar.

Naast de ‘pure’ Fair Trade tijdlijn, wil Stichting NICC ook via tijdlijnen aandacht besteden aan Fair Trade in bredere zin, zoals verbetering van toegang voor ontwikkelingslanden tot de markten van rijke landen en duurzaamheid tafels en convenanten tussen bedrijven en de Nederlandse overheid, met name rondom palmolie en/of soja.

Eveline Herfkens brengt persoonlijk archief onder bij stichting NICC

Mr. E.L. (Eveline) Herfkens, minister voor Ontwikkelingssamenwerking van 1998 – 2002, gaat haar persoonlijk archief onderbrengen in de collectie van NICC. Mw. Herfkens volgde, als lid van het tweede kabinet-Kok, Jan Pronk op als minister voor Ontwikkelingssamenwerking. Daaraan voorafgaand was ze respectievelijk beleidsambtenaar bij het ministerie van Buitenlandse Zaken, PvdA-kamerlid en woordvoerder op het gebied van  ontwikkelingssamenwerking, bewindvoerder van de Wereldbank voor onder meer Nederland en permanent vertegenwoordiger van Nederland bij de VN in Genève. Verder was ze in Nederland onder meer actief in de Evert Vermeer stichting, in de Fair Trade beweging en in de Raad van Kerken; internationaal was ze onder meer actief voor de Parliamentarians for Global Action envoor de Noord-Zuid campagne van de Raad van Europa. Vanaf 2002 was ze Executive Coordinator voor de Millennium Development Goals campagne van de VN.

Herfkens was lid van de zg. Utstein-groep, waarin de vier (vrouwelijke) ministers voor Ontwikkelingssamenwerking van Noorwegen, Duitsland, Groot-Brittannië en Nederland samen met gelijkgezinden zich sterk maakten voor verbeterde donorcoördinatie, een grotere effectiviteit en een modernere benadering van ontwikkelingssamenwerking. 

Ze boekte als minister belangrijke resultaten op het gebied van basisgezondheidszorg (zoals AIDS-, polio- en malariabestrijding, toegang tot betaalbare medicijnen), basisonderwijs, schuldverlichting, hulp aan Afrika, handel (vrijere markttoegang tot de EU-landen en ontbinding van de hulp aan Minst Ontwikkelde Landen) en volume van hulp wereldwijd (zij was namens Nederland instrumenteel in het bereiken van de Monterrey Consensus in 2002, waarbij ontwikkelde landen werden aangespoord de internationale norm van 0,7 % van het BNI als ODA voor ontwikkelingslanden te realiseren).

Herfkens heeft een uitgebreid archief van haar meest relevante interventies als kamerlid/OS woordvoerder, Wereldbank-bewindvoerder en als minister. Verder een interessante reeks boeken en andere publicaties in het Nederlands over ontwikkelingssamenwerking, inclusief diverse uitgaven van de Evert Vermeer stichting en de eerste Nederlandse uitgave van het rapport van de Commissie Brandt. Tenslotte zijn er enkele dozen met door haar geselecteerde krantenknipsels, zowel van Nederlandse als  internationale kranten en tijdschriften. Stichting NICC is voornemens het grootste deel van deze boeken en publicaties op te nemen in haar collectie (de fysieke collectie en/of de e-collectie).

Bestuur en medewerkers van NICC zijn verheugd over dit initiatief van oud-minister Herfkens en zijn vereerd met het in hen gestelde vertrouwen. Het betreft veelal uniek materiaal over een belangrijke periode in de rijke geschiedenis van de Nederlandse internationale samenwerking gericht op duurzame ontwikkeling en armoedebestrijding. De verwachting is dat het materiaal tegen de zomer in zijn geheel naar het NICC zal zijn overgebracht en dat de verwerking tegen het eind van 2020 voltooid zal kunnen zijn.

Eveline Herfkens (Fotocollectie Nationaal Archief/Anefo/Rob Bogaerts)
foto: Rob Bogaerts, Nationaal Archief / Anefo

Opening tentoonstelling ISS op 10 Maart: een ontmoeting tussen kunst en wetenschap

De natuur heeft ons gegeven wat we nodig hadden om te overleven en te gedijen, en we zijn afhankelijk geworden van haar. Onafgebroken, sterk, standvastig, heeft ze sinds het begin der tijden de mensheid en onze voorgangers bewaakt. We weten nu dat ze aan het veranderen is, maar de veranderingen zijn onzichtbaar voor ons, ze duiken op in bepaalde korte en verbijsterende momenten, maar in andere gevallen helemaal niet. Wij als mensen proberen deze veranderingen te leren kennen en te begrijpen, maar stedelijke structuren lijken de aanwezigheid van de natuur te hebben uitgewist, en we moeten zoeken om haar weer te vinden.

Een fototentoonstelling van Zindzi Zwietering, die op 10 maart in het ISS opent, wil de relatie tussen stadsbewoners en hun omgeving laten zien door middel van twee projecten getiteld ‘Bron’ en ‘Solastalgia’. In ‘Bron’ richt Zwietering zich op de watercrisis waarmee Kaapstad in 2018 werd geconfronteerd. Ze laat zien dat de veranderende natuur zich manifesteert in schokken, waardoor onzekerheid ontstaat over wat we altijd als vanzelfsprekend hebben beschouwd. Ze toont reacties van stadsbewoners op het gebrek aan water, waardoor de indruk wordt gewekt van een gevoel van rust en vrede ondanks de dreigende dreiging, en ook onze herverbinding met de natuur door onze interacties met het water. Op dezelfde manier toont de kunstenaar in ‘Solastalgia’ de bijna verborgen facetten van de natuur in een betonnen oerwoud, waarbij ze de alomtegenwoordigheid van de natuur in beeld brengt, ondanks de toegenomen kunstmatigheid van onze stedelijke omgeving. Hier vertelt ze een ander verhaal: de serie verbeeldt de opstand van de natuur, een gevecht tegen de dood. Hier zie je dat de natuur zelf nog steeds wil leven.

Bij de opening van de tentoonstelling zal Lize Swartz, die onderzoek heeft gedaan naar de ineenstorting van de stedelijke watervoorziening systemen in drie steden in Zuid-Afrika die in sommige opzichten een afspiegeling zijn van de watercrisis waarmee Kaapstad werd geconfronteerd, spreken over haar eigen interactie met de watercrisis in Kaapstad en de rol van de wetenschap in het belichten van menselijke ervaringen met de krachten van de natuur (of de krachten van de mensheid). Zwietering gaat in op de rol van kunst en fotografie in het bijzonder, bij het vastleggen van datgene wat vaak verborgen blijft. Zowel de sociale wetenschappen als de kunsten hebben het vermogen om over gesloten deuren heen te stappen om verborgen waarheden en betekenissen te onthullen.

Over Anouk Nuyens documentair theaterstuk ‘Jan Pronk’

Ik bezocht op 7 januari 2020 in een tot de nok gevuld Theater aan het Spui in Den Haag een theatervoorstelling van Anoek Nuyens (1984), waarin zij zich zorgen maakt over ‘de wereld’ en waarin bij haar zoektocht naar oplossingen, een aantal inzichten van voormalig Minister voor Ontwikkelingssamenwerking Jan Pronk een inspirerende rol spelen. Anoek kreeg na haar optreden van ongeveer een uur een lang applaus. Hierna nam Jan Pronk deel aan een gesprek met ‘de zaal’, die voor een belangrijk deel was gevuld met dertigers.

Anouk Nuyens, is zelf ook een – spontane – dertiger, die stelt dat ze soms ‘in de war is over de wereld’ met de zich opstapelende actuele vraagstukken als klimaatverandering, schrijnende verschillen tussen arm en rijk, toenemende migratiestromen, gewelddadige conflicten, natuur die steeds meer onder druk komt te staan, en betrekkelijk snel veranderende politieke ordeningen en internationale samenwerking. Dit terwijl ze teleurgesteld is over de huidige politieke constellatie en cultuur in Nederland.

Ze is – tegenwoordig ook als jonge moeder – op zoek naar hoop, houvast en richtingaanwijzers ter verbetering van de situatie en komt tot de conclusie dat er geen nieuwe grote verhalen nodig zijn, maar dat ‘het grote verhaal van de sociaaldemocratie’ dat in de 19de eeuw begon met het manifest van Willem Vliegen uit 1894 bij de oprichting van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij, in Nederland en Europa urgent een vervolg moet krijgen om zo weer te komen tot een ‘wijzere’ politiek van erkenning van mensenrechten, van verbinding, met oog voor het mondiale geheel en de noodzaak van verduurzaming.

Toen ze voor een eerdere theatervoorstelling, over de Surinaamse politicus Desi Bouterse (Bouta), een gesprek voerde met Jan Pronk die rond 1975 direct betrokken was bij het begin van het dekolonisatieproces van Suriname, raakte ze onder de indruk van Jan Pronk’s ‘zorgvuldig nadenken’, zijn vermogen om op en over verschillende schaalniveaus orde te scheppen in complexe processen. Vervolgens voerde ze zeven jaar vrijwel maandelijks diepgaande gesprekken met hem.

Recent besloot ze om over haar gesprekken met Jan Pronk een documentaire theatervoorstelling te maken. Daarin worden nogal wat zaken ‘in een groter verband geplaatst’ en passeren verschillende aspecten van de sociaaldemocratie de revue, onder meer het belang van kennis en een bruikbaar wereldbeeld in de politiek, de noodzaak van hoop en inzet van politici, en van hun vermogen om zinnige compromissen te sluiten rondom te voeren beleid, terwijl nauwkeurig in de gaten wordt gehouden dat dit beleid bij kan dragen aan de op iets langere termijn te realiseren duurzame toekomstvisie.  

Vanaf het begin van de voorstelling steekt Anouk haar bewondering voor sociaaldemocratische politici niet onder stoelen of banken. Ze noemt politici als Domela Nieuwenhuis, Drees en Den Uyl, die o.a. zorgden voor een (AOW) pensioenstelsel voor alle inwoners van Nederland en andere maatregelen die mensen in Nederland en Europa min of meer gelijke kansen op ontwikkeling bieden, en ze toont zich een bewonderaar van Jan Pronk en zijn samenhangende visies. Ze vindt hem ‘de meest betrokken en belangrijkste politicus, die Nederland ooit heeft gehad,’ die ons land internationaal als gidsland neer wist te zetten vanuit zijn positie als Minister voor Ontwikkelingssamenwerking, en die door zijn enorme dossierkennis, zijn ‘verhaal’ en zijn uitgebreide netwerk, veel invloed uit heeft geoefend op beleidsontwikkeling processen in heel veel landen. Anouk vertelt dat ze als scholier altijd al keek naar optredens van Jan Pronk, o.a. in de Tweede Kamer, omdat hij haar het gevoel gaf, dat ze zo in verbinding stond met mensen over de hele wereld.

Binnen Nederland heeft Jan Pronk er volgens Anouk als Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (VROM), voor gezorgd dat de drinkwatervoorziening in Nederland niet werd geprivatiseerd, iets waarvoor ze grote dankbaarheid uit.

Tegelijkertijd relativeert Anouk ook haar behoefte aan Jan Pronk als idool, in het besef dat haar generatie onder de snel veranderende mondiale omstandigheden voor de uitdaging staat om in de woorden van Jan Pronk ‘een catastrofe uit te stellen, wat hopelijk tot afstel kan leiden’ en dat de generatie(s) na Jan Pronk dus snel de krachten zullen moeten bundelen om schouder aan schouder de gestapelde problemen aan te pakken op basis van internationale solidariteit en andere sociaaldemocratische waarden.

Anouk vertelt dat ze na afloop van haar reflectie gesprekken met Jan Pronk vaak de deur uit ging met het besef dat er dingen in de wereld zijn ‘die niet kloppen’, gekoppeld aan het inzicht ‘dat je daar wat aan kan doen’, op allerlei manieren.

Volgens haar enerzijds door zelf het goede te doen, bijvoorbeeld wat minder vlees te eten, minder te vliegen, vluchtelingen te helpen, e.d. maar ook door petities te tekenen, door lid te worden van een of meer politieke partijen (Anouk is nu lid van drie politieke partijen, waarvan ze partij congressen bezoekt en mee stemt over uit te dragen beleid), want ze heeft volgens haar van Jan Pronk geleerd dat je je goede daden ook politiek moet vertalen, omdat je juist via de politiek en democratische macht veel in beweging kan zetten en kan voorkomen dat het eigen goede gedrag wordt misbruikt door machthebbers om het gebrek aan actie van hogerhand te legitimeren.

Anouk wijst ook op het belang van ‘visionair luisteren’, waarbij je enerzijds probeert om iemand die heel anders denkt dan jijzelf echt te begrijpen en in te voelen wat gebeurtenissen en ontwikkelingen voor die ander betekenen, en anderzijds het maken van selfies en het expliciet etaleren van belevenissen zo veel mogelijk achterwege laat.  

In het nagesprek benadrukte Jan Pronk het belang van ‘soft power’ in en vanuit een democratische setting om onrecht te bestrijden en milieu destructie ‘stapsgewijs’ tegen te gaan. Hij pleitte er ook voor om ‘hoop voor de toekomst’ niet te zien als een neerdwarrelend veertje, maar als ‘iets wat we zelf moeten creëren’. 

Anouk sprak aanvankelijk met Jan Pronk in zijn studeerkamer op het International Institute for Social Studies (ISS) aan de Kortenaerkade in Den Haag en later in zijn huis vlakbij het Vredespaleis, ook in Den Haag. In haar voorstelling vertelt ze ook over dat huis, met de overweldigende hoeveelheid geordend materiaal in periode kamers en een Afrika-kamer: zo’n 70 meter ordners met 22.000 velletjes waarop Jan Pronk tussen 1971 en 2017 aantekeningen maakte van de politieke gesprekken die hij voerde, en ruim 200 meter boeken.   

Geschreven door Janny Poley (bestuurslid stichting NICC)